Nieuws en plezier





Descartes en zijn tijdgenoten breken met een oude, Aristotelische (maar niet-Christelijke) traditie dat lichaam en ziel één zijn. Aristoteles stelde dat de ziel een wezenlijk, ja zelfs hèt wezenlijke beginsel van het hele organisme is - het levensprincipe. Daarom hebben volgens hem ook dieren en planten een ziel of levensprincipe, een psychè. In de zeventiende eeuw daarentegen - als de empirische natuurkunde tot bloei komt en complexe mechanismen zoals uurwerken en rekenmachines worden ontworpen - groeit de gedachte dat fysische processen in wezen mechanische processen zijn en als zodanig bestudeerd en geïmiteerd kunnen worden. In de fysica is er geen plaats voor levensbeginsles of zielen.

Wèl erkent Descartes, zoals we al zagen, het bestaan van het denken. De wetten van het denken, vastgelegd in de logica en de wiskunde, verschillen volgens hem radicaal van de mechanische principes die verklaren waarom de aarde rond de zon draait. Daarom neemt hij aan dat er naast de materiële of uitgebreide substantie ook nog een tweede, geestelijke substantie bestaat. Waar de uitgebreide substantie - de materie - plaats inneemt in de ruimte, geldt dat niet voor de geestelijke substantie. Descartes is dus een dualist: hij voelt een strikte tweedeling in tussen het materiële en het geestelijke. Dieren zouden volgens Descartes dan ook geen geest hebben; ze kunnen niet denken, en functioneren dus als ingewikkelde automaten of, zoals wij nu zouden zeggen, robotten of computers. De mens is daarentegen een wezen met een dubbele aard: dit wezen bezit een lichaam, maar ook, onafhankelijk daarvan, een geest. In de Middeleeuwen werd zulke idee al verdedigd door onder anderen : Thomas van AquinoDe mens heeft het lichaam van een dier, maar de geest van een engel, die zelf geen materieel lichaam heeft.

In zijn Discours de la Méthode (1637) schreef Descartes dat dieren gevoelloze automaten en objecten en geen bezielde wezens zijn. Die visie werkt nog altijd door, meent Verdonk, en als voorbeeld noemt hij de Utrechtse proefdierspecialist D.D. Bakker, die geen fundamentele verschillen tussen dieren en instrumenten zag. Bakker staat model voor het denken in de bio-industrie of intensieve veehouderij: boeren, ambtenaren en wetenschappers zien het dier als een object waarmee winst gemaakt kan worden. ,,Tot nu toe is een varken te veel beschouwd als een varken. Voor ons is een varken een grondstof'', zei de directeur van Hendrix Meat Group in 2002. Een varken werd gezien als 'halffabricaat' met een 'goede productiecapaciteit' waarmee 'goede technische resultaten' kunnen worden behaald.